De modellen van Atlas en delPrado
Atlas en delPrado, en de verkeerd begrepen psychologie van de verzamelaar.
Heeft u klachten? Lees dan dit!
Ik krijg met enige regelmaat klachten over Atlas, van mensen die denken dat ze bij mij iets hebben besteld. Denkt u
dit ook? Klik dan even op het kruisje rechtsboven in dit scherm.
Een tip als u een probleem heeft met Atlas: gebruik de telefoon. Op e-mails en faxen wordt niet of nauwelijks gereageerd.
Een mevrouw die ik eens aan de telefoon kreeg zei dat ze geen tijd had om e-mails te beantwoorden, omdat ze al zoveel
telefoontjes kreeg. Tja, hoe leg je zo iemand uit dat je vanzelf minder telefoontjes krijgt als je wel reageert op e-mails...
Adresgegevens: Editions Atlas, antwoordnummer 55019, 3640 VB Mijdrecht, e-mail
klantenservice@editionsatlas.ch, telefoon 0297-285818.
|
Uitgeverij Atlas (Atlas Editions)
|
Ik weet dat ik het niet had moeten doen, maar eind 2003 heb ik ingetekend op een nieuwe uitgave van uitgeverij Atlas.
Elke maand zou ik een model op schaal 1:100 ontvangen van een beroemde stoomlocomotief. In december 2006 ontving ik
de laatste zending. De locs zijn mooi voor wat ze kosten (21,80 euro, inclusief verzending). Ze zijn in China gemaakt.
Atlas is onduidelijk over het aantal modellen dat is uitgebracht. Nadat ik de laatste zending had ontvangen, ben ik nog
diverse andere modellen op het spoor gekomen, vooral dankzij een vriend. Ik bezit nu 42 locomotieven (plus de tender van de FEF
die je apart moest betalen). Daarvan zijn er 12 niet in Nederland uitgebracht. De speurtocht naar andere modellen gaat verder.

Hierboven een poster die Atlas Editions ooit in Frankrijk heeft uitgegeven, met daarop 35 legendarische
locomotieven die men als model zou gaan leveren, maar waarvan er zo'n 15 niet zijn gemaakt. Ik ben zelf
geen zakenman, maar volgens mij heeft Atlas een hoop geld laten liggen door zo slordig en onvoorspelbaar te werk
te gaan. Wie eenmaal begonnen in met verzamelen, blijft doorgaan tot hij alles heeft, of dat nu 30 of 60 modellen zijn.
|
Frankrijk
Pacific Chapelon Nord
Locomotief 3.1192, in 1937 gebouwd door de "Nord". Dit is een door de beroemde Franse ingenieur André Chapelon
onder handen genomen Pacific. Hij slaagde er in om de prestaties van de loc te verdubbelen, terwijl het
brandstofgebruik omlaag ging. Bij de SNCF waren de locs genummerd in de serie 231E.
|
|
Het
model is in Frankrijk ook in zilverkleur uitgebracht.
Ik heb locomotief 3.1192 in het echt gezien. Klik hier.
|
Crampton
De Engelse ingenieur Crampton ontwierp in 1842 een locomotief voor de Great Western Railway waarbij het
aandrijfwiel achter de vuurkist was geplaatst. Aan de andere kant steunde de loc op twee loopassen. Van
dit ontwerp werden slechts enkele locomotieven gebouwd. Een aangepaste versie, van de Franse ingenieur
Houel, was wel een groot succes. In Frankrijk hebben vele honderden machines dienst gedaan. Ze trokken
met gemak sneltreinen met meer dan 100 km per uur. Voor het comfort van het locpersoneel was weinig aandacht, zoals
aan dit model is te zien. Latere kregen de locs een halfopen machinistenhuis. De laatste locs gingen omstreeks
1870 uit dienst. Vanwege de toenemende treingewichten werd het werk overgenomen door sneltreinlocs met
twee aandrijfassen.
|
PLM "Grosse C"
Deze locs werden door de PLM (Paris-Lyon-Méditerranée) in 1898 in gebruik genomen om sneltreinen van Parijs
naar de Côte d'Azur te rijden. De locs zijn voorzien van stroomlijnbeplating bij de schoorsteen, de rookkastdeur
en het machinistenhuis. Dit vanwege de Mistral in het Rhônedal waar de treinen vaak tegenop moesten worstelen.
De locs hadden als bijnaam Coupe-Vent (Windbreker). Het waren viercilinder compoundlocomotieven.
De locs droegen de nummers C61 tot C180. Ze waren krachtiger dan hun uit 1894 stammende voorgangers uit de C-serie,
en werden daarom Grosse C (Grote C) genoemd. De laatste loc deed in 1936 dienst. Loc C142 is bewaard gebleven
in het museum in Mulhouse.
|
Pacific Chapelon Nord
Locomotief 3.1192, in 1937 gebouwd door de "Nord". Dit is een door de beroemde Franse ingenieur André Chapelon
onder handen genomen Pacific. Hij slaagde er in om de prestaties van de loc te verdubbelen, terwijl het
brandstofgebruik omlaag ging. Bij de SNCF waren de locs genummerd in de serie 231E.
Ik heb deze loc in het echt gezien. Klik hier.
|
PLM 241C
In de jaren 20 van de vorige eeuw werden de treinen van de PLM (Paris-Lyon-Méditerranée) te zwaar om
door Pacifics over de helling tussen Laroche en Dijon te worden getrokken. Er werd toen een locomotief met
vier drijfassen ontworpen, die vanaf 1925 in dienst kwam. Dat was de serie 241A. Bij deze locs werd de voorste
van de vier drijfassen aangedreven. Deze constructie met een erg korte en schuine drijfstang beperkte de
snelheid waarmee de locs konden rijden: boven de 100 km/uur begonnen ze erg te trillen. Bij volgende series,
waaronder de 241C, werd de tweede drijfas aangedreven door de buitenste cilinders en de
derde drijfas door de middelste cilinder.
|
SNCF 141R
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is een groot deel van het materieel van de Franse
spoorwegen verwoest. Om snel het tekort aan locomotieven te verminderen, werd er een grote bestelling
geplaatst bij Amerikaanse en Canadese fabrieken. Deze konden een wat verouderd Amerikaans ontwerp leveren, dat
geschikt was voor de Franse spoorlijnen. Dit waren de Mikado's (asopstelling 1'D1') van de serie 141R. Het waren,
vergeleken met de roemruchte Franse compoundlocomotieven, eenvoudige machines. Bijna de helft daarvan is later
omgebouwd op oliestook.
De locs
werden tussen 1945 en 1947 afgeleverd. Van de 1340 bestelde locs hebben er 17 nooit dienst gedaan. Eén loc viel
in de haven van Marseille uit de takels, en 16 andere locs liggen ergens op de bodem van de oceaan.
Deze locs stonden op het schip Belpamele, dat op 13 april 1947 verging. Het is dus in principe nog mogelijk
om het handjevol bewaard gebleven 141R's uit te breiden... Klik hier voor
foto's van echte Mikado's.
Atlas heeft ook een zwarte uitvoering geleverd, de 141R "Liberation", met Amerikaanse
en Franse vlaggen. Dit was de eerste loc die vanuit Amerika aan Frankrijk werd geleverd.
SNCF 232U1
Deze loc is in 1948 ontworpen door Marc de Caso, als vervolg op de vooroorlogse series 232R en 232S.
Loc 232U1 werd de achtste loc van dit type. Het was een zeer moderne loc; zo werd het compoundmechanisme automatisch
geregeld. De loc verscheen echter in een tijd dat duidelijk was dat de stoomtractie zou gaan verdwijnen. De
sierstrepen moeten een zwaan symboliseren: de zwanenzang van de stoomtractie. De loc deed tot 1961 dienst voor
sneltreinen in Noord-Frankrijk.
Loc 232U1 is bewaard gebleven in het museum in Mulhouse. Locs met asindeling
2'C2' (in feite een verlengde Pacific) worden ook wel Baltic genoemd. In het museum bevindt zich ook een oudere Baltic,
gebouwd in 1911. Deze loc is in 1937 over de lengte doormidden gezaagd, zodat het publiek kan zien hoe een stoomlocomotief
functioneert.
|
Pacific PLM
Vanaf 1909 liet de Compagnie Paris-Lyon-Méditerranée (PLM) een groot aantal Pacifics bouwen. De eerste serie
bestond uit locomotieven met enkelvoudige expansie (de latere serie SNCF 231A). Later volgden verschillende series met
compoundaandrijving. Tot 1932 werden voor de PLM 462 Pacifics gebouwd. Een deel daarvan werd door André Chapelon
aangepast (SNCF 231G, nauw verwant aan de 231K).
De laatste locs deden tot de zomer van 1969 dienst in Noord-Frankrijk, een jaar voordat ik daar op bezoek kwam.
Ik heb ze zodoende alleen maar op een opstelspoor zien staan (klik hier voor
foto's). Het model van Atlas stelt een loc uit de eerste serie voor (PLM 6171).
|
Atlantic Nord
Een prototype van deze loc werd door de "Nord" gepresenteerd op de Wereldtentoonstelling van 1900. Daarna werd een
serie van in totaal 35 locomotieven gebouwd. Het waren viercilinder compoundmachines, die belangrijke sneltreinen trokken
van Parijs naar het noorden van Frankrijk, zoals de boottreinen "Flèche d'Or" naar Calais. De Nord was de eerste
spoorwegmaatschappij ter wereld die met commerciële snelheden van meer dan 100 km/uur reed. Na een aantal
constructiewijzigingen namen de prestaties nog toe en werden snelheden tot 140 km/uur gehaald. De locs reden nu zelfs,
voorzien van extra grote tenders, non-stoptreinen van Parijs naar Brussel: de "Oiseau Bleu".
Bij de Nord droegen ze de nummers 2641-2675, bij de SNCF werden ze genummerd in de serie 221A. Uit deze cijfers
is de asopstelling af te lezen: 2-2-1. Het is dus een Atlantic: een locomotief met twee drijfassen. De locs
deden dienst tot ongeveer 1940. Loc 2670 is teruggebracht in de originele uitvoering uit 1912, en is nu te zien in
het spoorwegmuseum in Mulhouse.
|
SNCF 231 K8
Nog te beschrijven.
|
Italië
RA 500 "Mucca"
Er hoort eigenlijk een losse watertender bij, die aan de kant van de rookkast was gekoppeld. Daar heeft de
loc haar naam aan te danken: mucca is Italiaans voor koe, de loc lijkt op een koe die een kalf op sleeptouw
heeft. De machinistencabine bevindt zich aan de voorkant van de loc.
|
Zwitserland
SBB A 3/5
Nog te beschrijven.
|
SBB C 4/5
Nog te beschrijven.
|
Duitsland
Bayerische S 3/6
Loc 3673 (DB 18 478). Deze viercilinder compoundlocomotieven werden vanaf 1908 gebouwd door de firma Maffei voor de
Beierse spoorwegen. Er zijn er zo'n 150 gebouwd, in verschillende onderling afwijkende subseries. Bij de DR
werden ze genummerd in de serie 18.4-5. Ze deden tot in de jaren vijftig dienst. Dertig locs hielden het
wat langer vol: deze kregen een nieuwe ketel en een nieuw machinistenhuis (serie 18.6). Begin jaren zestig
gingen ook deze buiten dienst.
Enige locs zijn bewaard gebleven. Eén loc (DB 18 478) is in grotendeels de oorspronkelijke toestand
teruggebracht; ze draagt weer het Beierse nummer 3673. Begin 2004 is deze loc voor het laatst onder
stoom gebracht. Klik hier voor meer.
|
Baureihe 01
DB 01 224. Voor het sneltreinverkeer werden vanaf 1920 verschillende types met drie drijfassen
ontwikkeld, zoals deze serie 01 en de driecilinderlocs van de serie 01.10. Een lichtere variant hiervan waren de
locs van de series 03 en 03.10.
Klik hier voor foto's van echte 01-en.
|
P8 Baureihe 38
De P8 is mijn absolute favoriet op stoomgebied. Ik ben begin jaren zeventig dan ook verschillende malen naar
Tübingen en omgeving geweest, waar de laatste DB-locs van deze serie dienst deden. Tussen 1906 en 1928 zijn zo'n
3800 locs van dit type gebouwd, waarvan 3370 voor de Pruisische staatsspoorwegen. Bij de DB kregen de locs
windleiplaten type "Witte". Ook kregen diverse locs een Wannentender aangemeten. Eind 1974 ging bij de DB de laatste
loc uit dienst. Het Atlas-model draagt het nummer 38 3753.
Klik hier voor foto's van echte P8'en.
|
Op de tekentafels bij Atlas is er iets misgegaan: in de hoogte is deze loc
op schaal 1:87 uitgevoerd. Alle andere maten zijn zoals de bedoeling is 1:100.
|
Baureihe 44
De locs van de serie 44 dateren uit 1926. Tot 1945 zijn meer dan 2000 van deze zware driecilinderlocomotieven
gebouwd; een deel ook voor Frankrijk en andere landen. Na de Tweede Wereldoorlog is een deel van de locs omgebouwd
op oliestook. Bij de DB werden deze locs in 1968 genummerd in de serie 043, de kolengestookte locs in de serie 044.
Bij de DR is na de oorlog stevig gesleuteld aan de locs van de serie 44. Een deel is daarbij omgebouwd op oliestook;
dat is de serie 44.0 geworden. De kolenstokers waren ondergebracht in de series 44.1 en 44.2, waarvan er bij de VSM
een aanwezig is. Ook zijn er locs geweest die op kolenpoeder reden, de serie 44.9.
Het Atlas-model is loc 044 534 van de DB. Klik hier voor Baureihe 44 bij de DB.
Klik hier voor Baureihe 44 bij de DR.
|
Baureihe 96
Een Beierse Mallat-locomotief uit 1913. Type Gt 2 x 4/4, vanaf 1920 genummerd in de serie 96. In totaal zijn 25
van deze gelede compoundmachines gebouwd, in twee uitvoeringen. Ze deden vooral dienst voor zware ertstreinen.
De laatste locs gingen in 1949 uit dienst.
|
Baureihe 05
Loc 05 001. Een zusterloc, de 05 002, brak op 11 mei 1936 het snelheidsrecord met 200,4 km/uur. Overigens
reed twee jaar later de Britse loc LNER 4468 "Mallard" nog sneller: 202 km/uur. Van de serie 05 zijn drie locs
gebouwd, waarvan de 05 003 in het begin op kolenpoeder reed. Hierdoor was het mogelijk om de loc ten opzichte
van de tender om te draaien, zodat de cabine aan de voorzijde van de loc zat. Later is deze loc verbouwd tot
"normale" 05.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de stroomlijnbekleding verwijderd en deden de drie locs tot 1958
dienst bij de DB. De 05 001 ging in 1963, weer voorzien van stroomlijnbekleding maar zonder hakenkruizen,
naar het Verkehrsmuseum Nürnberg.
|
Henschel
Wegmann 232
Een van de twee gestroomlijnde locomotieven die in de jaren 30 dienst deden
tussen Berlijn en Dresden. Deze Henschel-Wegmann-Zug was gedacht als alternatief
voor de succesvolle snelle dieseltreinstellen uit die tijd. De gestroomlijnde tenderlocs konden zowel voor- als
achteruit 175 km/uur rijden. Ze
waren net als de speciale rijtuigen voorzien van Scharfenbergkoppelingen, zodat ze snel konden kopmaken. Loc 61 001
had asopstelling 2'C2' en twee cilinders, loc 61 002 had asopstelling 2'C3' en drie cilinders.
Loc 61 001 (het model op deze foto) heeft na de oorlog, zonder stroomlijnbekleding, tot 1951 dienst gedaan bij de
DB en is daarna gesloopt. Loc 61 002 werd in 1960 in Oost-Duitsland omgebouwd tot proeflocomotief 18 201. Zie het
Atlas-model hieronder.
|
DR 18 201
Deze loc is samengesteld uit drie andere locomotieven. De basis wordt gevormd door de in 1939 gebouwde 2'C3'
sneltreintenderloc 61 002. In 1961 werd deze loc omgebouwd, gebruik makend van
onderdelen van loc 45 024 en een ketel van de Baureihe 22. De loc kreeg het nummer 18 201, later 02 0201.
Ze is alleen voor testdoeleinden gebruikt: het was de enige loc van de DDR die 180 km/uur kon rijden, zodat ze voor
de export bestemde rijtuigen kon testen.
Klik hier voor meer over deze locomotief.
|
Baureike K Württemberg
Een goederentreinlocomotief met zes drijfassen van de Württembergischen Staatsbahn. Vanaf 1917 zijn 44 locs gebouwd
voor het trekken van zware goederentreinen over de hellingen in de Zwabische Jura en het Zwarte Woud (Geislinger
Steige). De locs van het type württ. K werden na het samenvoegen van de Duitse spoorwegen genummerd in de Baureihe 59. Na
de elektrificatie van de Geislinger Steige gingen de locs naar Oostenrijk, waar ze dienst deden op de spoorlijn
over de Semmering. Daarna kwamen ze terecht in Joegoslavië en Hongarije. In Duitsland werden de laatste locs in
1953 uit dienst genomen.
Hoe sterker de locomotief, hoe
zwaarder en langer de ketel, en dus hoe zwaarder de belasting van de rails. Door het gewicht over meer assen
te verdelen wordt voorkomen dat de rails te zwaar worden belast. Maar het aantal assen kan niet straffeloos worden
uitgebreid, want de loc moet ook nog door bogen en wissels kunnen rijden. Door speciale maatregelen, zoals
verschuifbare assen en wielen met weinig of geen flenzen, kan het aantal drijfassen worden vergroot, zonder dat
men dure en gecompliceerde gelede locomotieven hoeft te bouwen. Zes drijfassen is een uitzondering, maar in Rusland
is tijdens de Tweede Wereldoorlog een loc met zeven drijfassen gebouwd. Wel een wereldrecord, maar in de praktijk
geen succes: ze beschadigde de rails en ontspoorde regelmatig op wissels.
|
Groot-Brittannië
A4 Pacific "Mallard"
LNER 4468 "Mallard". Deze loc behoorde tot de beroemde A4-serie Pacifics, ontworpen door Sir Nigel Gresley
voor de London & North Eastern Railway (LNER). De gestroomlijnde A4 Pacifics trokken de zware sneltreinen
langs de oostkust tussen Londen en Schotland.
Een van die treinen was de Silver Jubilee, met een wit geschilderde loc en witte gestroomlijnde
rijtuigen, die de 268 mijl
tussen Londen en Newcastle in 4 uur aflegde, waarbij snelheden tot 100 mijl (160 km) per uur werden bereikt.
In 1938 vestigde de "Mallard" het daarna nooit meer gebroken wereldsnelheidsrecord voor stoomlocs, met 202 km/uur.
De laatste locs gingen in 1966 uit dienst.
|
Duchess LMS
Een Pacific van de "Duchess" class van de London, Midland & Scottish Railway (LMS). Een ontwerp van William
Stanier uit het eind van de jaren 30 van de vorige eeuw. De locs trokken moeiteloos sneltreinen met 160 km/uur.
Het enige probleem was dat de locs zoveel kolen verbruikten, dat een stoker dat niet bij kon houden. Zelfs als
als er twee stokers tegelijk dienst deden, haalde de loc niet haar volle vermogen.
De Duchesses speelden een belangrijke rol in de concurrentie met de London & North Eastern Railway (LNER). Beide
maatschappijen exploiteerden spoorlijnen tussen London en Scotland. Van deze rode locs zijn er 39 gebouwd.
Daarna volgde nog een serie van 12 locs, voorzien van stroomlijnbekleding. Deze locs, blauw geschilderd met witte
lijnen, trokken de eveneens gestroomlijnde rijtuigen van de "Coronation Scot" tussen London en Glasgow.
|
GWR King Class
Loc "King Henry VII" van de Great Western Railway, vertegenwoordiger van een uit de
jaren 30 stammende
serie 2'C-locomotieven. Dit waren viercilinderlocomotieven met enkelvoudige expansie, afgeleid van een
tweecilindervariant: de "Castle Class".
De "King Class" had een zo'n grote vuurkist, dat de locs niet op hun
volle vermogen konden rijden: dat kon de stoker namelijk niet bijhouden. Er is wel een proef gedaan waarbij twee
stokers samen onophoudelijk kolen op het vuur gooiden. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de 30 Kings nog enkele
aanpassingen ondergaan, waarna ze tot het begin van de jaren 60 dienst deden tot ze werden verdrongen door
diesellocomotieven.
|
SR Schools Class
Loc 900 "Eton" van de Southern Railway. De 40 locs van dit type, gebouwd vanaf 1930, waren genoemd naar
beroemde Britse scholen. Dat leidde weleens tot misverstanden bij het publiek: men dacht dat de naamplaat op de loc
de bestemming van de trein aangaf!
|
BR "Evening Star"
De is de laatste stoomloc die voor British Rail is gebouwd.Een mooie loc met een mooie naam. Avondster is de naam
die de planeet Venus draagt wanneer ze bij zonsondergang aan de hemel te zien is. Venus kan ook ochtendster zijn: dan is
ze bij zonsopgang te zien. Overdag is Venus nooit te zien omdat ze zo dicht bij de zon staat.
|
Brittania Class
Nog te beschrijven.
|
LNER 4472 "Flying Scotsman"
Nog te beschrijven.
|
"City of Truro"
Nog te beschrijven.
|
LBSC "Remembrance"
Nog te beschrijven.
|
Gresley V2 "Green Arrow"
Nog te beschrijven.
|
GWR Castle Class
Nog te beschrijven.
|
LMS "Royal Scott"
Nog te beschrijven.
|
België
SNCB Type 12
SNCB 12.002. In 1939 namen de Belgische spoorwegen de locs van de reeks 12 in gebruik. Ze waren bestemd om de
sneltreinen tussen Brussel en Oostende te trekken. Vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn er in de
werkplaatsen van de NMBS slechts zes locomotieven gebouwd.
Bijzonder is dat men voor deze locs terugviel op het
Atlantic-type, dat wil zeggen met twee aangedreven assen. De locs hadden twee binnenliggende cilinders en een
gedeeltelijke stroomlijnbeplating. Eén loc is bewaard gebleven. Klik hier voor
foto's.
|
Oostenrijk
ÖBB 214
Model van de ÖBB 214, een van de beroemde "omgekeerde" locomotieven die door Gölsdorf zijn
ontworpen. In plaats van de gebruikelijke asvolgorde 2D1 koos hij voor 1D2, dus twee loopassen onder
de vuurkist en één loopas aan de voorzijde van de loc. De vuurkist kon zodoende groot worden uitgevoerd,
zonder dat de belasting van de rails te hoog zou worden. Van deze locs zijn vanaf 1926 13
exemplaren gebouwd. De eerste loc had drie cilinders, de 12 andere twee. Ze waren genummerd in de serie
214, later serie 12.
Gölsdorf ontwierp al eerder een "omgekeerde" Pacific, de Reihe 310. Klik hier.
|
Verenigde Staten
Shay Locomotive
Het octrooi op deze bijzondere locomotieven werd in 1881 aangevraagd door de heer Shay. De locs werden
gebruikt in de bosbouw in de Verenigde Staten. Tijd of geld om een mooie spoorbaan aan te leggen was er niet:
de rails werden neergelegd waar dat zo uitkwam, met scherpe bogen en steile hellingen. Normale stoomlocomotieven
waren hiervoor niet geschikt. Bij de Shay-locomotief, en bij vergelijkbare ontwerpen die in dezelfde periode
ontstonden, wordt niet gewerkt met vaste drijfassen maar met draaistellen, die via tandwielen worden
aangedreven. Vaak werd ook het draaistel van de tender aangedreven. De cilinders van de locomotief stonden
rechtop naast de ketel. Om de zaak in evenwicht te houden, was de ketel zelf iets uit het midden van de loc
geplaatst.
|
Reading Camelback 0-6-0
Nog te beschrijven. Opvallende constructiefout aan het model: de ketel loopt niet door het machinistenhuis
heen.
|
The General
Beroemde loc uit de tijd van de Amerikaanse Burgeroorlog. De loc speelt de hoofdrol in de gelijknamige
film van Buster Keaton (1926). De loc zelf is een ontwerp uit 1855. Op de schoorsteen staat een enorme
vonkenvanger. Ook de koeienvanger voorop de locomotief ontbreekt niet.
|
Union Pacific FEF-2
Een van de laatst gebouwde grote Amerikaanse sneltreinlocomotieven. De asindeling is 4-8-4, uitgesproken four-eight-four,
afgekort FEF. Achter de loc hangt een tienwielige tender, een "Centipede Tender", die ook achter de Big Boys werd
gebruikt.
Loc en tender zijn apart geleverd door Atlas, dus dat was twee keer betalen. Op het plankje van de tender zit de naam
Big Boy gespijkerd, maar die loc heeft Atlas niet geleverd, ondanks plaatjes in
folders.
|
Legendarische
treinen
Een eerdere mooie aanbieding van de (Zwitserse) uitgeverij Atlas. Voor een bescheiden bedrag krijg je
maar liefst 60 kaarten met foto's van treinen. Inclusief verzamelband en poster,
en als je snel reageert ook nog een videoband over de Orient Express. Verplicht
tot niets, maar als je wilt
kun je je abonneren op de volgende series kaarten. Wie verstandig is doet dat niet, maar in 2001 had ik
de serie compleet! 1200 kaarten in zes ringbanden. Ik wil zelf niet weten wat het me gekost heeft.
De collectie is nogal hapsnap, een register moet je zelf maar
maken, en de vertaling uit het Frans in het
Nederlands wekt soms bevreemding. Maar er zitten aardige dingen tussen, zoals een beschrijving van
de Leader, een
experimentele Britse draaistelstoomloc uit 1949, ontworpen door de befaamde ingenieur Bulleid. De machinist zat in
een cabine voorin, terwijl de stoker was ondergebracht in een ruimte in het midden van de loc, waar het
natuurlijk niet te harden was van de hitte. Bij één prototype is het dan ook gebleven.
|
|
|
Begin 2007 is Atlas Editions in Nederland begonnen met de uitgifte van een serie automodellen, naar
tekeningen uit de albums van Kuifje. Voor enige euro's wilde ik het eerste model (Cadillac Fleetwood
convertible sedan uit 1938) wel in huis halen. Deze auto reed rond in Tintin au Tibet (Kuifje in
Tibet). Ik moet zeggen dat het model er zeer verzorgd uitziet (metaal, schaal 1:43), maar ik hoef de
rest van de serie niet te hebben. Te duur en het interesseert me ook te weinig.
|
DelPrado
|
Is eindelijk mijn abonnement op de HO-modellen van Atlas afgelopen, komt delPrado begin 2007
met een serie N-modellen op de Nederlandse markt. Zoals dat altijd gaat: de eerste loc is
goedkoop, maar daarna wordt de hoofdprijs in rekening gebracht. 3,95 euro voor de Flying Scotsman vond
ik redelijk, maar de volgende modellen kosten 11,95 euro per stuk, dus daar begin ik
niet aan. In Nederland zullen 70 modellen verschijnen, maar de hele serie bestaat uit 100 modellen.
Dus delPrado heeft net zo weinig van de psychologie van de verzamelaar begrepen als Atlas.
|
|
|
Een tafereeltje dat ik op 8 februari 2007 op een besneeuwd tafeltje heb opgebouwd (echte sneeuw!).
In de achtergrond de vuurtorens van Vlieland en Texel, daarvoor het N-model
van de P8, dat ik een keer van iemand cadeau heb gekregen, en de Flying Scotsman (in de tv-reclame werd
gesproken over de "vliegende schotsman").
|
|
|
Nog vier delPrado-modellen, die ik in april 2007 voor weinig geld van iemand kon
overnemen. Maar ik ga ze echt niet verzamelen! Van voor naar achter: Indian Railways YP 4-6-2,
Standard Class 4MT (British Railways 75065), Su 1-3-1 (Sovjet-Unie 251-86), Amtrak FP-45.
|
Zie ook:
vorige
home
omhoog