“Alles van waarde is weerloos”Deze filosofische woorden van de Amsterdamse schilder, dichter, tekenaar, fotograaf, keramist en lithograaf Lucebert (1924–1994, geboren onder de naam Lubertus Jacobus Swaanswijk) zouden van toepassing kunnen zijn op het in 1990 gesloopte Hilversumse stationsgebouw.
InleidingOp 10 april 1975 stelt de Raad van de Gemeente Hilversum het bestemmingsplan Stationsplein vast. In de toelichting van dit plan wordt gesteld, dat ervan wordt uitgegaan dat het stationsgebouw ter plaatse gehandhaafd kan blijven, maar dat de mogelijkheid dat het gebouw in de toekomst vernieuwd zal worden in het plan niet is uitgesloten. Korte tijd (1982/1983) heeft het HIJSM-stationsgebouw (uit 1874) zelfs op de monumentenlijst gestaan. Op 14 september 1983 besluit de gemeenteraad “in te stemmen met het ontwerp voor een nieuw stationsgebouw van de Nederlandse Spoorwegen”. Na ruim 15 jaar van (wisselende) politieke besluitvorming, maatschappelijk protest vanuit de bevolking, AROB-procedures, een dreigende schadeclaim en planaanpassingen, start in de zomer van 1990 de sloop van het stationsgebouw. Op 19 juni 1992 wordt het nieuwe station met enige ceremoniële handelingen en Open Dagen in gebruik genomen. Wat gebeurde er in die ruim 15 jaren aan politieke besluitvorming, waartégen protesteerde (een groot deel van) de bevolking, waaróm stond het stationsgebouw aanvankelijk op de monumentenlijst, waaróm was de wethouder Ruimtelijke Ordening tégen en wat waren de feitelijke voorbereidingen voor de sloop? In dit deel probeer ik de voorgeschiedenis op een rij te zetten aan de hand van archiefstukken, gemeenteraadsbesluiten, bezwaarschriften, krantenartikelen en overige documentatie; de teloorgang van een monument, dat geen monument mocht zijn…
IndelingVanwege de overzichtelijkheid probeer ik de ontwikkelingen te volgen met deze indeling:
Politieke besluitvorming en voorgeschiedenis: 1975–1979Gedurende een groot aantal jaren wordt op politiek-gemeentelijk niveau gewerkt aan een planontwikkeling in het gebied van het Stationsplein. Kaalslag en sloop van diverse panden (in de jaren 1970–1974) en de beoogde structuur van een centrumringweg - waarvan de Schapenkamp in 1975 werd gerealiseerd - maken de weg vrij om voor het gebied een nieuwe stedelijke infrastructuur te ontwikkelen (zie deel 11). Tegelijkertijd ontwikkelen de Nederlandse Spoorwegen een plan om het oude stationsgebouw te vervangen door nieuwbouw, in combinatie met de commerciële uitbating van een kantorencomplex. Het oude stationsgebouw was te duur in onderhoud, was niet efficiënt in te richten of te renoveren en de tijdgeest vroeg om modernisering zoals elders in het land (o.a. Tilburg) al in gang was gezet. Althans, dat vonden de Nederlandse Spoorwegen. Op 10 april 1975 is de gemeente zover, dat men een bestemmingsplan aan de Raad kan presenteren, nog wel ervan uitgaande, dat het stationsgebouw ter plaatse gehandhaafd kon blijven; men acht evenwel de mogelijkheid aanwezig, dat het gebouw in de toekomst vernieuwd zou kunnen worden. Zowel in de Raad als in commissies komen de plannen diverse keren aan de orde. Op 9 maart 1978 wordt door de Raad een architectenteam ingesteld voor het Stationsplein, waarin architecten van de gemeente, het Gemeentelijk Administratiekantoor (GAK) en de Nederlandse Spoorwegen (NS) zitting hebben. Dit team gaat voortvarend aan het werk, waarbij meteen wordt uitgegaan van nieuwbouw van het station. De plannen voor het te bouwen GAK-kantoor en beoogde woningbouw op en rond het plein zijn eerder gereed dan die voor het stationsgebouw. Op 23 oktober 1978 en 19 maart 1979 worden de betrokken Raadscommissies geïnformeerd over de planontwikkeling m.b.t. het Stationsplein. De plannen voor het GAK en de woningbouw staan daarbij voorop. Nog geen maand later, al op 12 april 1979, besluit de Raad in te stemmen met de planologische opzet van het Stationsplein, met de realisering van de bouwplannen voor het GAK en de woningbouw, alsmede met het nieuw in te richten busstation. Het GAK-kantoor en het nieuwe busstation worden conform de plannen gebouwd en ingericht.
Wèl een monument, géén monument: 1979–1983Per brief van 9 oktober 1979 adviseert de gemeentelijke monumentencommissie het stationsgebouw te plaatsen op de gemeentelijke monumentenlijst en voorts te doen onderzoeken of het gebouw kan worden geplaatst op de rijksmonumentenlijst. Tot het laatste komt het niet. Bij de begrotingsbehandeling op 13 december 1979 wordt een motie van mei 1979 verworpen waarin het college wordt uitgenodigd de beslissing over de sloop van het stationsgebouw aan te houden tot aan de discussie over het monumentenbeleid in februari 1980. Op 2 april 1980 verzoekt de fractie van D’66 het college aan de Raad een voorstel te overleggen met betrekking tot het al dan niet behouden van het stationsgebouw. Op 1 mei besluit de Raad overeenkomstig dit voorstel. Vervolgens ontstaat een “maatschappelijke discussie” (uitmondend in protesten en bezwaarschriften, zie verderop) o.a. in het informatie- en communicatieblad HIK. Er verschijnen vele ingezonden brieven van burgers en andere geïnteresseerden, die hun mening kenbaar maken omtrent het al of niet slopen van het stationsgebouw. Handtekeningen worden verzameld door voorstanders van behoud van het station en aangeboden aan de gemeenteraad. Op 9 april 1981 wordt in de Raad het preadvies van het college dd. 31 maart 1981 behandeld inzake sloop of handhaving van het gebouw in relatie tot de planontwikkeling op en rond het Stationsplein. In dit preadvies wordt een uitvoerig overzicht van de ontwikkelingen gegeven, met als conclusie (van het college), dat onder bepaalde omstandigheden sloop van het bestaande stationsgebouw en nieuwbouw ter plekke als beleidslijn dient te worden aanvaard. Die conclusie accepteert de Raad niet. De Raad neemt een door leden van de fractie van het CDA en VVD ingediende motie aan, waarin onder meer als mening wordt uitgesproken, dat het gebouw uit historisch oogpunt waard is om te worden behouden en dat de mogelijkheid van renovatie van het bestaande gebouw onvoldoende aan de orde is geweest in het overleg met de NS. Aan het college wordt opgedragen de “mogelijkheid van renovatie alsnog diepgaand met de NS te bespreken”... Op verzoek van de gemeente verrichten de NS een nadere studie naar de technische en exploitatieve mogelijkheden van een verbouwing van het stationsgebouw. Zij rapporteren op 6 juli 1981. De NS concluderen, dat het bestaande station uitsluitend gehandhaafd kan blijven binnen een volledig gewijzigd stedebouwkundige plan, nog afgezien van overwegende bezwaren voor wat betreft de gebruikswaarde, technische onderhoudstoestand en bedrijfspresentatie. De NS verlangen blijvende financiële garanties. De problematiek van de sloop of handhaving wordt vervolgens aan de orde gesteld tijdens een gezamenlijke besloten vergadering van alle Raadscommissies op 6 januari 1982 en een openbare gezamenlijke commissievergadering op 29 juni 1982. Tijdens deze bijeenkomsten blijkt er geen eenstemmigheid te bestaan onder de commissieleden over het te voeren beleid. Op 11 augustus 1982 wordt in een Raadsvergadering de beleidsnotitie “Beleidslijn ten aanzien van het stationsgebouw in relatie tot de planontwikkeling m.b.t. het Stationsplein” besproken. Het college spreekt in die notitie uit voornemens te zijn het stationsgebouw op de monumentenlijst te plaatsen (…). Het eventuele behoud zal echter afgewogen dienen te worden tegen de plannen voor nieuwbouw die de NS ontwikkelen. Het nieuwbouwplan zal de afgesproken procedure volgen. Bij de beoordeling van het plan zal mede in beschouwing dienen te worden genomen het feit dat realisatie alleen mogelijk is indien het huidige stationsgebouw van de monumentenlijst wordt afgevoerd. De beleidsnotitie van 1 juli 1982 leidt tot het Raadsbesluit van 14 december 1982 het stationsgebouw op de monumentenlijst te plaatsen. Bij dit besluit is zorgvuldig het artikel 1, lid 1 van de gemeentelijke monumentenverordening toegepast (althans mag aan die zorgvuldigheid niet getwijfeld worden), waarbij het Hilversums station aangemerkt is als gebouw dat voor Hilversum van algemeen belang is, zowel uit historisch als uit architectonisch oogpunt, e.e.a. conform het advies van de monumentencommissie van 9 oktober 1979. Tegen deze beschikking gaan de NS bij beroepschrift van 3 februari 1983 in beroep. NS meent aanspraak te kunnen maken op aanmerkelijke planschade (zie verder Schadeclaim) op grond van artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening, dan wel artikel 4 van de Monumentenverordening indien de afgesproken procedure niet gevolgd wordt. Het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften aan de Raad dateert van 20 juni 1983. De commissie heeft niet tot een eensluidend standpunt kunnen komen. Tijdens de vergadering van de commissie Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van 21 februari 1983 wordt het ontwerp voor een nieuw stationsgebouw behandeld. De meningen binnen de commissie zijn verdeeld; naar aanleiding van deze behandeling wordt het ontwerp door de NS aangepast. Op 13 juli 1983 besluit de Raad naar aanleiding van een motie van het CDA de behandeling van het beroepschrift van de NS uit te stellen tot na de behandeling van het nieuwbouwplan.
Raadsbesluit van 14 september 1983Op 30 augustus 1983 presenteert het college een ontwerp-raadsbesluit aan de Raad. In de Raadvergadering van 14 september 1983 staat dit voorstel van B&W ter behandeling; het is voorzien van een uitgebreide toelichting op de voorgeschiedenis. Aan de orde komen:
Stedebouwkundige aspectenHet preadvies van 30 augustus 1983 behandelt uitvoerig de stedebouwkundige aspecten. Het plan – aldus het advies – voor het nieuwe stationsgebouw past in de stedebouwkundige opzet en bestemmingsplan voor het Stationsplein waarmee de Raad op 12 april 1979 (immers) instemde. Centraal in de opzet van dit plein staan drie gebouwen; het stationsgebouw, het op dat moment in aanbouw zijnde GAK-kantoor en de geprojecteerde woningbouw met winkels op de begane grond. Onder het GAK en de woningen komt ruimte voor een parkeerkelder. Tussen stationsgebouw en GAK-kantoor is het nieuwe busstation gepland. De looproute naar het stationsgebouw richt zich op de bestaande tunnelingang. Boven deze ingang is een overbouwing geprojecteerd als bindend element voor het stationsgebouw, de geplande woningen en het GAK-kantoor. BestemmingsplanHet stationsgebouw is begrepen in het vastgestelde bestemmingsplan Stationsplein 1975, dat intussen onherroepelijk is geworden. De betreffende gronden worden aangewezen voor spoordoeleinden, verkeersdoeleinden, horecabedrijven en kantoren. Deze globale bestemming zal nog nader moeten worden uitgewerkt overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de wet op de ruimtelijke Ordening. De geplande uitbouw zal getoetst worden op realisatie binnen het bestemmingsplan, dan wel zal de bouwvergunning verleend worden op grond van een nieuw ontwerp-bestemmingsplan. Indeling gebouwHet stationsgebouw is ontworpen voor vijf bouwlagen, de begane grond is voor stationsdoeleinden, de verdiepingen als kantoorruimten. De centrale ingangspartij is geprojecteerd ter plaatse van de tunnelingang; rondom zijn de voor NS belangrijkste verkoopactiviteiten (plaatskaarten, boekingen, consumpties, lectuur en bloemen) geconcentreerd. Er komen directe verbindingen met de stationsrestauratie en het eerste perron. Toegankelijkheid voor mindervaliden is voorzien: automatische schuifdeuren, rolstoeltoilet en liften naar beide perrons. De perronbreedte van het eerste perron wordt 4.00 meter, conform landelijke normen voor zijperrons. Op het eilandperron zal een nieuwe perronwachtkamer met automatiek gebouwd worden. De realisatie zal een verbetering van de oude huisvesting van het NS-personeel ter plaatste betekenen. De NS voorzien lagere onderhoudskosten (ƒ 90.000 versus ƒ 260.000, nieuw versus oud). NS gaat in de plannen uit van handhaving van het gebouw van de fietsenstalling incl. VVV. De ingang van de fietsenstalling zal naar de Stationsstraat worden verlegd. Ook bestaan er op dat moment voorshands geen plannen met Van Gend & Loos; op dat terrein zijn parkeerplaatsen van de kantoren geprojecteerd. Toetsing randvoorwaarden
Verder komen visies van de welstandcommissie en de Raadscommissie aan de orde. Langdurig wordt stilgestaan bij eventuele schadeclaims ingeval van het niet doorgaan van nieuwbouw. De meningen binnen de commissie zijn verdeeld. Het CDA gaat akkoord, GPV/RPF/SGP-fractie behoudt de stem voor. PvdA en PSP/CPN/PPR zijn tegen, de VVD is verdeeld. Deze laatste partij is in meerderheid van oordeel, dat aan het onderhavige plan geen behoefte bestaat, niet past in Hilversum en te weinig met de reizigersbelangen rekening houdt.
AanpassingenNaar aanleiding van verschillende commissievragen is het ontwerpplan nog aangepast op diverse punten m.b.t. de toegankelijkheid die ik hier verder buiten beschouwing zal laten. Zij betreffen in hoofdzaak de looproutes, concentraties van verkoopactiviteiten en bereikbaarheid voor mindervaliden. Voorts wordt afgesproken dat een procedure zal worden gevolgd waarbij het ontwerp achtereenvolgens goedgekeurd zal worden door het architectenteam, de welstandscommissie, het college, de betrokken raadscommissies en de raad. Het college vraagt de Raad in te stemmen met deze werkwijze, het ontwerp goed te keuren en het oude stationsgebouw van de monumentenlijst af te voeren. Het architectenteam wordt ontbonden, doordat Van Belkum (bij NS) is uitgetreden. Twee andere architecten behandelen de plannen verder in zowel de welstandscommissie als anderszins. De welstandscommissie adviseert het ontwerp voorwaardelijk goed te keuren met nadere detailuitwerkingen. SchadeclaimsBij brief van 15 september 1981 laten de NS weten een eis tot schadevergoeding in te zullen dienen indien zou worden besloten tot plaatsing van het station op de monumentenlijst. Zij kwantificeren deze claim op ƒ 7 miljoen ex BTW. De juridisch adviseur van de gemeente onderzoekt de haalbaarheid van een dergelijke claim en rapporteert op 17 november 1981. Hij acht geen civiele aansprakelijkheid voor de gemeente aanwezig. “Van meet af aan heeft onzekerheid bestaan over het al dan niet vervangen van het stationsgebouw”. Voor een civiele aansprakelijkheid zou nodig zijn, dat de gemeente hetzij verbintenissen was aangegaan die zij niet kan waarmaken, hetzij indrukken zou hebben gewekt die niet overeenkomstig de feiten waren. Dit acht de adviseur niet het geval. Wel neemt hij in beschouwing, dat de NS afhankelijk van de door de gemeente te kiezen procedure een vordering tot schadevergoeding zouden kunnen indienen. Op grond van artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening of artikel 14 van de Monumentenverordening 1982. In dat geval kan aanspraak op aanmerkelijke planschade worden gedaan. De hoogte van het door NS genoemde bedrag is zonder diepgaand onderzoek niet te becijferen. Het college wijst er overigens wel op, dat de enkele plaatsing van een pand op de monumentenlijst nog geen grond voor schadevergoeding oplevert. “Het is niet of nauwelijks mogelijk aan te tonen dat er schade wordt geleden op grond van de enkele plaatsing”, aldus het college. Uitvoerig wordt stilgestaan bij artikel 14 van de Monumentenverordening. Pas wanneer concrete sloop- of verbouwplannen worden afgewezen kan eventuele schade duidelijk aangetoond worden, is het oordeel van het college. Hoe dan ook, het dreigement lag er en zou een langdurige juridische strijd kunnen opleveren. AfwegingenHet college kan zich op grond van vorenstaande een oordeel vormen, zo deelt het de Raad mee. En neemt daarbij in overweging, dat de welstandscommissie adviseert het ontwerp voorwaardelijk goed te keuren. Het college meent, dat het nieuwe gebouw past in de stedebouwkundige opzet voor het gebied stationsplein en acht e.e.a. passend in het vigerende bestemmingsplan. De opzet van het gebouw acht het college – bouwkundig – acceptabel. Het niet voldoen aan de door de raad gestelde randvoorwaarden, acht het college niet onoverkomelijk. Een grote meerderheid van het college beoordeelt het nieuwe stationsgebouw positief. De consequentie is sloop van het oude gebouw wat aanvaarbaar wordt gevonden. Zij grijpt weliswaar terug naar de beschikking van 14 december 1982 (plaatsing op de monumentenlijst), maar concludeert dat renovatie van het oude gebouw op zich niet onmogelijk is, maar dat daardoor de situatie zal ontstaan welke zowel uit stedebouwkundige opzet als vanuit het oogpunt van de NS van mindere kwaliteit zal zijn dan bij nieuwbouw. ConclusiesHet college komt vervolgens met een adviserende afweging en legt het nieuwbouwplan aan de Raad voor. De Raad neemt uiteindelijk het volgende besluit: “Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders dd, 30 augustus 1983 besluit in te stemmen met het ontwerp voor een nieuw stationsgebouw van de Nederlandse Spoorwegen” De wethouder Ruimtelijke Ordening stemt tegen de plannenDe wethouder voor ruimtelijke ordening, cultuur en economische zaken, Richard Veerman, is in tegenstelling tot de rest van het college van oordeel, dat het nieuwbouwplan van de NS niet aanvaardbaar is op grond van de volgende overwegingen:
Samenstelling gemeenteraad Hilversum september 1983Ten tijde van de beschreven besluitvorming in september 1983 was de zetelverdeling in de Hilversumse gemeenteraad als
volgt: Daarbij dient aangetekend te worden, dat PSP/CPN/PPR kort daarna Groen Links werden, terwijl het SP-lidmaatschap van de raad een kortstondige was en de SP pas vrij recent weer in de raad is teruggekeerd. Maatschappelijke protesten tegen sloop: bezwaarschriften en AROB-proceduresAl in het voorjaar van 1981 na jarenlange onduidelijkheid over het gemeentelijk beleid ter zake, die zich steeds meer ging blootgeven, rijst onder de Hilversumse bevolking onrust en zorg over de voorgenomen plannen het stationsgebouw te slopen. Er zou sprake zijn van “10.000 verzamelde handtekeningen onder de Hilversumse burgerij” die op 9 april 1981 aan B & W werden overhandigd.
Actiegroep “Geen beton voor het station”De actiegroep “Geen beton voor het station” maakt zich sterk voor het lot en de lotgevallen van het Hilversumse station. Een viertal eisen wordt geformuleerd:
Tevens publiceerde de actiegroep toen een onderzoek waaruit bleek, dat minstens 68% van de bevolking tegen de sloop was. Er kwam een maatschappelijke discussie op gang, ook in de plaatselijke media die resulteerde in het aannemen van een motie door de gemeenteraad, waarin o.a. als mening werd uitgesproken, dat het stationsgebouw uit historisch oogpunt waard is om te worden behouden en dat de mogelijkheid van renovatie onvoldoende aan de orde is geweest in het overleg met de NS. De stationskwestie is door de actiegroep in de verdere ontwikkelingen diverse malen in de Raadscommissievergaderingen besproken, gebruikmakend van het burgerspreekrecht. Inspanningen die niet zonder succes bleven. De gemoederen raakten gesust toen B&W op 14 december 1982 (bij Raadsbesluit) het stationsgebouw uiteindelijk op de monumentenlijst plaatsten (zie hiervoor). De euforie duurt nog geen jaar. Op 14 september 1983 gaat de Raad, gelezen het preadvies van B&W overstag en besluit in te stemmen met het ontwerp voor een nieuw stationsgebouw van de Nederlandse Spoorwegen (zie hiervoor), met als logische consequentie het verwijderen van het gebouw van de monumentenlijst. De burgerij van Hilversum voelde zich, meer nog dan de actiegroep, verrast door deze ommekeer in besluitvorming. De politieke partijen, zo heerste de algemene mening, die zich tweeëneenhalf jaar daarvoor hadden laten vermurwen door de publieke opinie, kozen “stilletjes”, maar in elk geval in toenemende mate voor het streven van de NS voor nieuwbouw. Rond de behandeling van het bezwaarschrift van NS tegen de plaatsing van het station op de monumentenlijst heeft de actiegroep ”Geen beton voor het station” wederom de bevolking gemobiliseerd. Opnieuw bleek de duidelijke mening van de bevolking tegen de sloopplannen. Tevergeefs. De NS en de gemeente bleken niet ontvankelijk voor de stem des volks. De Raad besluit op 9 oktober 1985 het door de actiegroep “Geen beton voor het station” ingediende bezwaarschrift als niet-ontvankelijk te verklaren. Motief: “de Kamer uit de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften acht het bezwaarschrift betrekking te hebben op een besluit dat niet kan worden gekwalificeerd als een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid van de Wet AROB, waartegen op grond van die Wet een bezwaarschrift kan worden ingediend”. De Raad neemt dat advies over. De teleurstellingen en woede zijn compleet. Het zal het kleurenpalet van de Hilversumse politiek en het stemgedrag van de bevolking later sterk beïnvloeden.
Historische Kring Albertus PerkNa 14 september 1983 komt ook de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk in actie tegen de beslissing om het station af te voeren van de monumentenlijst als gevolg van het genomen Raadsbesluit om akkoord te gaan met nieuwbouw. Albertus Perk voelt zich door genoemd besluit rechtstreeks (en op grond van haar statuten) in haar belang getroffen en stelt op 14 oktober 1983 een beroep in krachtens AROB-wetgeving bij de Raad van State in Den Haag. Zij bestrijdt de door de Raad genomen besluiten, te weten:
Albertus Perk, opgericht in 1975 (met 250 leden in 1983) - zich statutair o.a. als doel stellend het bevorderen van behoud van waardevol historisch erfgoed - nam in een raadplegende ledenvergadering op 25 maart 1981 een motie aan, waarin “een meerderheid van de leden zich uitspraken” om zich achter het advies te scharen van monumentencommissies inzake het behoud van het stationsgebouw van Hilversum. Die motie is op 26 maart 1981 ter kennis gebracht van de Raad. Het belang van de activiteiten van de Vereniging Albertus Perk voor Hilversum in het algemeen en voor het levend houden van de historie van Hilversum in het bijzonder werd in datzelfde jaar door datzelfde gemeentebestuur nog eens beloond met de uitreiking van de Cultuurprijs van de Gemeente Hilversum. Albertus Perk stelt op 14 oktober 1983 een beroepsprocedure in tegen het Raadsbesluit op grond van artikel 7 Wet AROB. Albertus Perk kan zich niet verenigen met de beschikking daar “de raad geen zorgvuldige afweging heeft gevolgd van alle in het geding zijnde belangen en dus in redelijkheid niet tot de beschikking had kunnen komen en derhalve heeft gehandeld in strijd met één of meerdere in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur”. In de nadere motivering gaat Albertus Perk nadrukkelijk in op de plaatsing en vervolgens weer verwijdering van het stationsgebouw op de monumentenlijst. Het stelt zich de vraag hoe een uitermate zorgvuldige plaatsing op de lijst met toetsing (aan de monumentenverordening en op advies van de monumentencommissie van 9 oktober 1979) binnen nog geen jaar tijds, de argumenten alweer over boord gezet worden. Of anders gezegd: “al met al hebben B&W geen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden door plaatsing van het station op de monumentenlijst. Alle belangen daartoe afwegend hebben B&W in redelijkheid niet tot een ander besluit kunnen komen”. Het station is dus terecht en zeer zorgvuldig op de monumentenlijst geplaatst. Nadien hebben zich volgens Albertus Perk geen nieuwe feiten aangediend die de plaatsing ongedaan zouden kunnen maken. Door daar nu weer van af te wijken, houdt Albertus Perk B&W “een wijze van bestuurlijk handelen voor, welke volstrekt in strijd is met de geboden zorgvuldigheid ten aanzien van één van de belangrijkste gebouwen van Hilversum”. Evenmin heeft bij het Raadsbesluit van 14 september 1983 een zorgvuldige heroverweging of hertoetsing plaatsgevonden. Men heeft de ambities van de NS gevolgd en de ultieme gevolgen daarvan (sloop) in consequentie aanvaard. Albertus Perk verzoekt de genoemde beschikking (besluit tot nieuwbouw) te vernietigen. Het bezwaarschrift van de historische kring is door de kring zelf voortijdig uit de ring gehaald omdat bij juridisch advies (bij twee deskundigen) bleek dat het bezwaarschrift wel heel erg weinig kansen had. De kans dat het beroepschrift ontvankelijk verklaard zou worden door de Raad van State werd zeer gering geacht en een honorering daarvan nog minder. Op grond van dit advies heeft het bestuur – met pijn in het hart en na langdurig overleg – gemeend het beroepschrift te moeten intrekken. Op 15 februari 1985 is de Raad van State daarvan op de hoogte gesteld. Het bestuur vond het niet meer verantwoord de kosten, verbonden aan de behandeling en verdediging, te maken, gezien het advies.
PlanaanpassingenDe plannen worden op de volgende onderdelen aangepast:
Betrokken partijenDe volgende partijen waren betrokken bij de sloop, het ontwerp en de nieuwbouw van het stationsgebouw:
De feitelijke voorbereidingen voor de sloop; ruimte maken en noodvoorzieningenOm de feitelijke sloopwerkzaamheden te kunnen starten wordt eerst ruimte gemaakt op het stationsplein en worden voor een zoveel mogelijk ongestoorde reizigersafhandeling verkooppunten en andere voorzieningen verplaatst. De verplaatsing van het busstation is het eerste begin. De loods van Van Gend & Loos moet hiertoe als eerste wijken; hiermee wordt een begin gemaakt op 13 juni 1990. De feitelijke sloop van het stationsgebouw start op 10 augustus 1990 met als eerste het middendeel.
BouwkostenDe totale bouwkosten van het nieuwe station Hilversum bedroegen circa 8 miljoen gulden, zijnde ca. 3,6 miljoen euro (de euro werd ingevoerd op 1 januari 2002). Dit betreft dus het tweede, vergrote ontwerp met extra kantoorruimte voor de Belastingdienst. Het zal uiteindelijk nog wel een ietsje duurder zijn geworden. Op 19 juni 1992 vindt de officiële opening plaats van het nieuwe gebouw annex kantorencomplex. Na de Open Dag op 20 juni start de treindienst met gebruikmaking van de nieuwe reizigersfaciliteiten. VerantwoordingDe politieke ontwikkelingen die geleid hebben tot een nieuw stationsgebouw en de sloop van het oude HIJSM-gebouw zijn in dit artikel op grond van gevonden documenten uitgebreid aan de orde gekomen. Ook het verzet vanuit de Hilversumse bevolking is gestoeld op authenticiteit van archiefstukken. De constatering kan gedaan worden, dat de politieke processen in Hilversum, gehoord en gezien de stem van de burgerij, een moeizame ontwikkeling hebben doorgemaakt in die jaren. In latere jaren heeft dat het politieke podium in Hilversum wel beïnvloed. Of dat ten gunste of ten nadele van het klimaat ter plaatse is gegaan, is een nadere analyse waard. Tenslotte: de stationsgebouwkwestie is een kwestie die past in alle “Questiën” die Hilversum in de afgelopen eeuw rijk is geweest (zie deel 9). De inhoud van dit artikel is gebaseerd op (openbare) archiefstukken en onderzoek bij het Streekarchief Gooi- en Vechtstreek. De historische zuiverheid werd nagestreefd door zoveel mogelijk feiten daaruit letterlijk te citeren. Diverse krantenartikelen werden nageplozen. De Hilversumse Historische Kring Albertus Perk publiceerde voor zover haar betrokkenheid een rol speelde, eigen artikelen, waar ik dankbaar gebruik van heb gemaakt.
Geraadpleegde bronnen en personen
|