De verkeerstentoonstelling te München

Artikelen van H. de Herder in Op de Rails, September en October 1953. Spelling en interpunctie zijn gehandhaafd, tussen [haakjes] staan enkele opmerkingen van mijn hand. De artikelen waren niet geïllusteerd. Aan de IVA in 1965 heeft Op de Rails geen aandacht besteed.

Terug naar de hoofdtekst



De verkeerstentoonstelling te München

Het is geen gemakkelijke taak in kort bestek een overzicht te geven van datgene, wat de Verkeerstentoon­stelling, die tot 11 Oct. te München gehouden wordt, de bezoeker, die zich voor spoor- en tramwegen interesseert te bieden heeft. Om deze reden zal in dit artikel slechts een overzicht gegeven worden van wat er aan moderne tractiemiddelen van de Duitse Spoorwegen te zien is.

In vier grote hallen en op een groot opstelterrein, die tezamen ongeveer 1/4 van de totale oppervlakte van de tentoon­stelling in beslag nemen, is de inzending van de Deutsche Bundesbahn ondergebracht. De aandacht van de bezoeker wordt allereerst getrokken door een loc van de serie 45, een 1-E-1 stoomloc met vijfassige tender, momenteel de sterkste stoomloc van de DB met haar 3000 pk. Zij is van een mechanische stookinrichting voorzien, daar het onuitvoerbaar was een roosteroppervlak van 4.47 m2 door een leerling te doen stoken. [Een Heizer is geen 'leerling' zoals in Nederland, het is apart beroep.]

Naast de 45 staat op een gemetseld voetstuk de „Adler", een natuurgetrouwe copie van de eerste loc, die in Duitsland gereden heeft, en volgens de originele tekeningen gebouwd.

Uiteraard is het opstelterrein het interessantste deel van de inzending van de DB. Dat de stoomloc in Duitsland nog niet heeft afgedaan blijkt uit een loc van de serie 23. Deze serie is er een van de drie, die na de oorlog gebouwd werden, en zij is bestemd om de oude P 8's te vervangen. Reeds tijdens de oorlog waren er 2 gebouwd, doch deze zijn in Oost-Duitsland terecht gekomen. De loc is van geheel gelaste constructie, ook de ketel. Door toepassing van een verbrandingskamer kon het totaal verhitte oppervlak ten opzichte van de P 8 ongeveer even groot gehouden worden. Het ketel vermogen steeg echter met 23% en het vermogen aan de trekhaak met 50%. De op de tentoon­stelling aanwezige 23.024 heeft als enige een Kylchap-exhaust, en ook een ander type voorwarmer, nl. een die met afgewerkte stoom werkt, en zeer goed voldoet. [Het ontwerp van de DB was nieuw, dus niet gebaseerd op de twee vooroorlogse 23'ers.]

Een tweede stoomloc is de 18.602. Deze oude vertegenwoordiger van het Beierse geslacht S 3/6 is van een geheel nieuwe ketel voorzien, waardoor het vermogen werd vergroot (vandaar de omnummering in 18.600). De 186 is hierdoor in staat op lijnen met veel hellingen dezelfde diensten te rijden als de 01. De 18.602 staat onder stoom en men kan meerijden, dan wel als machinist de loc bedienen, waartoe een spoor van ongeveer 800 m is gelegd. Afwisselend rijdt er een dieselloc van de serie V 80 met een rijtuig met stuurstand.

Als sterkste vertegenwoordigster van de electrische locomotieven is een E 94 aanwezig. Met haar 4600 pk kan zij de zwaarste treinen trekken, doch ook wordt zij voor personendienst gebruikt (max. snelheid 90 km/h). De tentoon­gestelde loc heeft de snelheidsregeling aan de hoogspanningszijde van de transformator. Het type voldoet zeer goed, en er is een aantal nabesteld voor de toekomstige electrificatie.

Als laatste nieuws is er een eloc van de serie 10, Bo-Bo locomotieven, waarvan er 5 gebouwd zijn door verschillende fabrieken en met verschillende uitrustingen t.a.v. aandrijving, transformator en snelheidsregeling. Een der aan­drijvingen is volgens BBC met holle motorassen en torsiestaafaandrijving, een andere volgens het Sécheron-principe met lamellen, terwijl ook de Alsthom-aandrijving, zoals de NS 1300 die heeft, is geprobeerd. Ook SSW heeft een aandrijving gemonteerd, die echter slechts weinig van die van Alsthom afwijkt. Drie locs hebben een hoog­spannings­schakeling, twee een laagspanningsschakeling met stroomloos schakelende trapschakelaars. Twee van deze locomotieven, die ongeveer 4500 pk sterk zijn, kunnen uit één stuurstand bediend worden. Max. snelheid 130 km/h.

Tenslotte is er nog een electrisch driewagenstel ET 56, gebouwd in 1952, met een lengte van 80 m en een gewicht van 116 t. De vier motoren van 255 kw zijn in de buitenste draaistellen ondergebracht. Het treinstel telt 24 zitplaatsen 2e klasse en 238 zitplaatsen 3e klasse.

Een type rijtuig, dat hier te lande in moderne uitvoering onbekend is, is een accurijtuig ETA 176. Het is zeer modern zowel wat exterieur als interieur betreft, en valt zeer in de smaak bij het reizende publiek. Het kan een afstand van 250-300 km per dag afleggen, en bij tussentijdse oplading der accu's 400 km. Max. snelheid 90 km/h.

De dieseltractie is in Duitsland in de na-oorlogse jaren tot grote ontwikkeling gekomen, zoals blijkt uit de tentoon­gestelde voertuigen. Opvallend is de hydraulische overbrenging, die thans uitsluitend wordt toegepast, en die tegenover de electrische overbrenging het voordeel van gewichtsbesparing biedt. Hierdoor kan ook het frame van loc of treinstel lichter gebouwd worden. Voorts is opmerkelijk, dat verschillende locomotieven en treinstellen geheel gelijke motor- en aandrijfinstallaties hebben, hetgeen de onderhoudskosten doet dalen, en de voorraad reserve onderdelen kleiner maakt.

Van gelijke installaties zijn o.a. voorzien de dieselloc serie V 80 (1000 pk), de V 200 (2000 pk), en de treinstellen VT 08 en VT 12 (ieder 1000 pk). De loc V 80 is een BB loc met een 1000 pk 12 cylinder viertact dieselmotor in V-vorm van Daimler-Benz, Maybach of MAN (deze zijn onderling verwisselbaar). De hydraulische overbrengingen hebben een aangebouwde omkeerinrichting en worden geleverd door Voith (type T36) of door Maybach (type K104). Beide typen zijn onderling verwisselbaar en kunnen bij ieder type dieselmotor gebruikt worden. Genoemde loc is bestemd voor rangeren of voor het vervoeren van kleine treinen, waartoe de maximum-snelheid omschakelbaar is van 50 op 100 km/h. Door een bijzondere inrichting kan bij het rangeren de maximale trekkracht reeds worden uitgeoefend bij snelheden van 5 km/h af. Voor verwarming van reizigerstreinen is een kleine verwarmingsketel ingebouwd. Er is slechts één cabine, een weinig uit het midden boven de machinekamer uitstekende. De loc kan ook op afstand van een wagen met stuurstand uit bediend worden. Enkele gegevens zijn nog: lengte 12800 mm, radstand draaistellen 2900 mm, afstand midden draaistellen 6300 mm, gewicht 60 t, brandstofvoorraad 1650 l, maximum trekkracht 21/17 t (rangeren/treindienst).

De locomotief van de serie V 200 is eveneens een BB loc, doch heeft alles dubbel wat bij de V 80 enkel was, dus twee dieselmotoren met overbrenging, een vergrote verwarmingsketel, twee stuurstanden, etc. Zij is bestemd voor het vervoeren van sneltreinen op hellingrijke lijnen. Er zijn voorlopig 5 van deze locomotieven besteld. Gegevens: lengte 18500 mm, radstand draaistellen 3200 mm, gewicht 78 t, brandstofvoorraad 3300 l, vermogen 2000 pk, trekkracht 28 t, maximumsnelheid 140 km/h. De verhouding gewicht-vermogen is zeer gunstig, nl. 38 kg/pk.

De derde en vierde soort voertuigen met 1000 pk installaties zijn de driewagenstellen VT 08 en VT 12, die uiterlijk en inwendig van elkaar afwijken. De VT 08 is bestemd voor het lange afstandsverkeer, en heeft dus andere zitplaatsen en minder instapdeuren dan de VT 12, die voor voorstadsverkeer bestemd is. De 08 biedt plaats aan 136 reizigers (alleen 2e klasse), en heeft voorts een bagageruimte, postafdeling, restauratie, en conferentiecoupé. Lengte 79250 mm, gewicht 119 t, maximumsnelheid 140 km/h. De VT 12 heeft plaats voor 24 reizigers 2e, en 236 3e klasse. Lengte eveneens 79250 mm, gewicht 112 t, maximumsnelheid 120 km/h. Van deze serie zijn er sedert 17 Mei twee stellen in dienst in het Ruhrgebied.

Voorts zijn er op de tentoon­stelling nog diverse andere typen diesellocomotieven met hydraulische overbrenging. Van de Fa MAK zijn er 600 en 800 pk locs; de vier assen worden via een koppelstang aangedreven door een tussenas. Zij zijn bestemd voor rangeerwerk doch ook voor lichte treinen. Krauss-Maffei toont een drieassige 400 pk loc, en Gmeinder uit Keulen een 107 pk tweeassige rangeerloc, een bekend type, dat men veel op kleine stations ziet rangeren.

Vanzelfsprekend mocht de „Schienenomnibus", waarvan de DB er liefst 272 heeft besteld, niet ontbreken. Tentoon­gesteld is een nieuw type met 2 motoren, dat vooral in heuvelachtig terrein gebruikt zal worden. Ook ziet men een aardig eenassig wagentje voor bagagevervoer.

Een zeer bijzondere verschijning was een zevendelige dieseltrein in lichte uitvoering, die veel aan de Spaanse Talgotrein doet denken. De „Gliederzug" heeft echter vele nieuwe en verbeterde installaties, zodat gerust van een nieuwe ontwikkeling gesproken mag worden. De lengte is 96,2 m, het gewicht slechts 93 t. Het motorvermogen is 4 x 160 pk (hydraulische overbrenging). De maximumsnelheid is 140 km/h, doch deze zal worden opgevoerd tot 160 km/h. Helaas laat de beperkte ruimte niet toe deze treinstellen uitvoerig te bespreken.

Tentoonstelling München
Na het overzicht in het Septembernummer volgen hier nog enkele punten uit het zeer vele, dat de tentoon­stelling te zien geeft.

De Bundesbahn toont de nieuwe rijtuigen voor het voorstadsverkeer, 26.4 m lang, en voorzien van midden- en eindingangen. Van dit type zullen in dienst gesteld worden: 250 BC rijtuigen, 170 C rijtuigen, 51 C rijtuigen met stuurstand, 29 C met bagageafdeling en 15 C met restauratie. De C rijtuigen wegen slechts 34 t. Als gevolg van de grote lengte van de rijtuigen is de breedte (binnenwerks) slechts 2705 mm. Zij bieden veel gemakken, zoals b.v. de zittingen in de 2e klasse, die uitgeschoven kunnen worden. [Gedoeld wordt op de zoheheten n-Wagen of 'Silberlinge' die vanaf 1958 in dienst zijn gekomen. Toen was de 3e klas afgeschaft en werden dit dus AB- en B-rijtuigen.]

Naast deze rijtuigen vindt men nieuwe slaap- en restauratierijtuigen van de DSG, en een nieuw D-trein rijtuig voor Touropa. Dit laatste biedt de 3e klasse reiziger wel alle denkbare comfort. Elke coupé kan in een oogwenk veranderd worden in een slaapcoupé: de rugleuningen worden omhooggeklapt, en vormen een bed. In het rijtuig bevindt zich een luidsprekerinstallatie, en boven iedere zitplaats is een leeslamp aangebracht. Tijdens de reis kan men zich verfrissen in twee wasafdelingen, ook is er een afdeling voor een kapper. Voorts zal in een aantal dezer rijtuigen een kleine keuken worden ingebouwd.

Zeer bezienswaardig is de modelspoorweg (spoor 0), met een oppervlakte van 600 m2. Deze schitterende spoorweg is, met al het rollende materieel gebouwd door de leden van de Münchener Modelleisenbahnklub. Dat dit een groots stuk werk betekende blijkt wel uit de volgende cijfers: 1300 m spoor, 130 wissels, 170 signalen, 30 locs en treinstellen, 60 rijtuigen en 170 goederenwagens. Er zijn 3 stations en een rangeerstation met rangeerheuvel. Voorts vaart er zelfs een veerboot, waarop wagens gerangeerd kunnen worden. Het materieel rijdt volgens een vaste dienstregeling. De bediening vindt plaats met originele „Gleisbildstellwerke", (waarvan de DB er ± 80 in gebruik heeft, en die niet veel afwijken van het hier te lande ingevoerde NX-systeem). In totaal zorgen 2500 relais voor een vlotte afwikkeling van het verkeer.

Uiteraard is er op de tentoon­stelling nog veel te vinden over beveiliging, bovenbouw, electrificatie, goederenmaterieel, etc, doch het zou te ver gaan dit uitvoerig te bespreken.

H. de Herder in Op de Rails, September en October 1953.


Terug naar de hoofdtekst




vorige       start       omhoog