Kleurenblindheid

Kleurenblindheid wil zeggen dat iemand geen of heel moeilijk onderscheid kan maken tussen bepaalde kleuren. De meest voorkomende vorm is de rood-groenkleurenblindheid (bij ongeveer 5% van de mannen). Bij verkeerslichten houdt men hier rekening mee, door het rode licht altijd bovenin te plaatsen, of bij voetgangerslichten door een stilstaand of lopend mannetje. Van een treinmachinist wordt echter verwacht dat hij rood en groen goed van elkaar kan onder­scheiden.

Kleurenblindheid was vroeger ook een probleem voor elektriciëns: tot circa 1970 gebruikte men groene en rode stroomdraden, die bepaald niet mochten worden verwisseld. Deze kleurcombinatie is later vervangen door bruin en blauw.

In Rail Magazine uit maart 2008 staat onder andere iets over de kleuren van de 2400'en: “Door de bekende spoorweg­historicus N.J. van Wijck Jurriaanse werd het azuurblauw een middelmatig grijsblauwe tint en het rozerood vermiljoen genoemd. Vreemd, als wordt bedacht dat hij kleurenblind was.”



Utrecht, 20 augustus 1975. Loc 3737 passeert de vroegere halte Biltstraat. In de achtergrond het Ooglijdersgasthuis aan de F.C. Dondersstraat. Professor Donders was een beroemd fysioloog en oogonderzoeker uit de 19e eeuw. Op het Janskerkhof in Utrecht staat zijn standbeeld.


Utrecht, 24 oktober 2007. Vitrine in het UMC met een deel van de collectie van het vroegere Ooglijdersgasthuis.
Dit is een kleurenmolen. Door snel aan de molen te draaien mengen de kleuren. Kleurenblinden zien mengkleuren anders dan niet-kleurenblinden. Professor Donders heeft een belangrijke rol gespeeld bij het ontwikkelen van kleurenblindheidstests voor spoorwegpersoneel. Na een paar grote spoorwegongelukken ontstond er behoefte aan een test van het gezichtsvermogen. Dat mensen kleurenblind kunnen zijn is rond 1850 ontdekt.


 

William's seinlantaarn, gebruikt voor het onderzoeken van kleurenblindheid bij spoorwegpersoneel (collectie UMC Utrecht). Bij verkeerslichten voor het wegverkeer zitten de kleuren altijd op dezelfde plaats, zodat kleurenblinden weten waar ze aan toe zijn. Bij lichtseinen is dat niet het geval, vandaar dat machinisten niet kleurenblind mogen zijn.


In de armseinen brandden 's nachts lampen. Door middel van gekleurde glazen die voor de lamp werden gedraaid konden deze verschillende kleuren geven, afhankelijk van de stand van de seinarm. Dezelfde kleuren zijn later toegepast in de daglichtseinen: rood = stoppen, geel = langzaam, groen = veilig.

Tot juli 1934 werden in de lichten van armseinen andere kleuren gebruikt: rood = stoppen, groen = langzaam, wit = veilig. Dit kon gevaar opleveren, want een rood sein waarvan het glas was gebroken gaf dus wit licht. Tijdens de langste dag van het jaar 1934 werden in heel Nederland alle seinen aangepast.



Zie ook:




vorige       start       omhoog